De ondernemer

1.  Op welk gebied ligt je werkervaring?
2.  Welke opleidingen heb je gevolgd?
3.  Maak een SWOT analyse in relatie tot het bedrijfsidee dat je hebt.
 

Bedrijfsactiviteiten

1.  Welk product of welke dienst ga je leveren?
2.  Beschrijf het productieproces of wordingsproces van de dienst zo volledig mogelijk.
3.  Wie worden je leveranciers?
4.  Hoe is de kostprijs opgebouwd: vaste en variabele kosten, marge.
5. Welke verkoopprijs levert dit op?
6. Maak een schets van het logistieke proces: van productie en opslag naar distributie.
7.  Welke productontwikkelingen denk je in de loop van de tijd aan te (moeten) brengen?
 

Markt

1.  Maak een algemene beschrijving van de markt van je product of dienst.
2.  Welke product-marktcombinaties zijn er?
3. Verzamel informatie over de markten waarop je met je product/dienst aan de slag gaat.
4.  Benoem de doelgroepen die je straks wilt bedienen.
 

Concurrentie

1.  Maak een lijst van je voornaamste concurrenten.
2.  Welke producten of diensten bieden je concurrenten aan?
 

Personeel en organisatie

1.  Met hoeveel mensen wil je je ondernemingsplan realiseren?
2.  Maak een schets van je organisatie: wie doet wat?
3.  Heb je voldoende kennis om medewerkers aan te nemen?
 

Juridische en financiële vormgeving

1.  Welke rechtsvorm geef je aan je onderneming?
2.  Wat voor financiële regelingen moet je treffen?
3.  Wie zijn straks aansprakelijk voor de schulden van het bedrijf?
4.  Wie voert de administratie en wie controleert deze?
 

Naam en vestigingsplaats

1.  Welke naam geef je aan de onderneming?
2.  In welke plaats ga je je vestigen?
3.  Maak een schets van de huisvesting.
4.  Laat een deskundige een oordeel geven over je voorgenomen huisvesting en locatie.
 

Vergunningen

1.  Is de onderneming ingeschreven in het Handelsregister van de KvK?
2.  Welke handelsnaam is er voor de onderneming bedacht?
3.  Is er een onderzoek geweest naar de toelaatbaarheid van de handelsnaam?
4. Hoe ziet het bestemmingsplan eruit en mag je volgens dat plan een bedrijf exploiteren?
5.  Is een vestigingsvergunning noodzakelijk?
6.  Welke andere vergunningen heb je nodig?
 

Financieringen

1.  Welke investeringen verwacht je te moeten doen (investeringsplan)?
2.  Hoe denk je deze uitgaven te financieren (financieringsplan)?
3.  Met welke middelen kun je beginnen en wat is daarbij vreemd vermogen (openingsbalans)?
4.  Hoe is het financiële verloop in de tijd gezien (liquiditeitsprognose)?
5.  Maak een meerjarenplan van de verlies- en winstrekening.